1.   Activiteit

 

Schoolfest: vakoverschrijdend project S.E.I. & W.W.

(ook raakvlakken voor deze vakken: M.O., M.E. & S.T.V.)

 

2.   Verantwoordelijk leerkracht

J. Jacobus & J. Hellebuyck

 

3.   Doelgroep

 

3.1.   Hoofddoelgroep:

De leerlingen van het tweede jaar richting moderne wetenschappen: voorbereiding, uitvoering en opruimen van het schoolfest.

 

3.2.   Andere groepen: (op de dag van het schoolfest)

§      De leerlingen van het tweede jaar: richting mechanica-elektriciteit.

Hulp bij het opstellen van het technisch materiaal.

§      De leerlingen van het tweede jaar: richting sociale en technische vorming.

Maken van hapjes voor de V.I.P.’s in de V.I.P.-ruimte.

 

3.3.  Het publiek

§      De leerlingen van het eerste jaar

§      De leerlingen van het tweede jaar: richtingen Latijn, M.E.

§      Oud-leerlingen van de vorige 2 of 3 schooljaren.

§      De ouders van de leerlingen.

§      De sponsors van het festival uit de lokale gemeenschap.

 

4.   Doelstellingen

 

In het leerplan van de moderne wetenschappen wordt het werken met een vakoverschrijdend thema aangeprezen. Dit festival kadert in het thema ‘geluid’ dat zowel in de lessen S.E.I. als W.W. wordt aangepakt. Dit gebeurt afzonderlijk in de lessen maar de leerkrachten geven ook samen les aan de hele groep. Of komen langs in elkaars lessen. Hiervoor werd een aanpassing van het lesrooster van de betrokken leerkrachten doorgevoerd.

Wat volgt zijn de doelstellingen uit het leerplan van de moderne wetenschappen die aan bod komen tijdens de voorbereiding, de uitvoering en de afronding van het project ‘geluid’. De doelstellingen die nadrukkelijk beoogd worden staan in het vet.


 

4.1.  Moderne wetenschappen:

 

MW 1 De verschillende stappen in een wetenschappelijk onderzoek herkennen en benoemen.

MW 2 Gericht waarnemen en experimentele gegevens verzamelen.

MW 3 Een meting uitvoeren in het kader van een wetenschappelijke probleemstelling.

MW 4 De resultaten van een onderzoeksopdracht weergeven in een tabel en een grafiek.

MW 5 Uit het verloop van een grafiek het verband tussen veranderlijken afleiden.

MW 6 Zowel mondeling als schriftelijk verwoorden wat men heeft waargenomen tijdens een experiment of een onderzoeksopdracht.

MW 7 Op basis van waarnemingen of experimenten een hypothese formuleren of een model construeren en deze toetsen aan de werkelijkheid.   

MW 8 Formules interpreteren en toepassen in concrete situaties.

MW 9 De onderlinge beïnvloeding van de verschillende wetenschappelijke disciplines inzien.

MW 10 De rol van natuur- en menswetenschappen in de maatschappij toelichten.

MW 11 Kunnen feiten van meningen of vermoedens onderscheiden.

MW 12 Zijn bereid een eigen mening te verwoorden en rekening te houden met de mening van anderen.

MW 13 Zijn bereid om samen te werken.

MW 14 Houden zich aan de instructie en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten.

MW 15 Zijn kritisch en objectief ingesteld.

 

4.2.  SEI

 

SEI 1 Voor maatschappelijke fenomenen waarmee leerlingen geconfronteerd worden als individu,

in een gezin en in een gemeenschap een verklaring geven.

SEI 2 Aan de hand van voorbeelden aantonen hoe en waarom mensen zich gaan organiseren.

De thema’s participatie, solidariteit, mobiliteit, milieu en inkomsten en uitgaven moeten worden behandeld gespreid over ten minstens twee items te kiezen uit: school, gemeente, België, Europa en de wereld.

SEI 3 De eenduidige betekenis van de volgende begrippen kennen en correct gebruiken: gedrag,

groep, behoefte, uitgavenpatroon, keuze, prijs, vraag, aanbod, inkomen, media, consument, bedrijf, gezin, overheid, buitenland, participatie, solidariteit en begroting.

 

4.3.  WW

 

WW 1 Alle gebruikte meettoestellen correct gebruiken en aflezen.

WW 2 De grootheid en bijhorende SI-eenheid bij een uitgevoerde meting of een gekregen meetresultaat benoemen.

WW 3 Op een veilige en milieubewuste manier werken.

WW 4 Het deeltjesmodel hanteren om verschijnselen te verklaren.

WW 5 De eenduidige betekenis van wetenschappelijke begrippen weergeven en correct gebruiken


 

5.   VOETen

 

5.1.  V.O.E.T. 1: Gezondheidseducatie

 

2 Voeding

 

3 De leerlingen zien in hoe het voedingsgedrag beïnvloed wordt door reclame en sociale omgeving.

 

3 Genotsmiddelen (tabak, alcohol, drugs) en geneesmiddelen

                         

4          De leerlingen weten dat het gebruik en misbruik van genots- en geneesmiddelen gevolgen heeft op de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, de sport- en leerprestaties en de sociale relaties.

 

5          De leerlingen kunnen eigen standpunten tegenover roken, alcohol- en druggebruik verantwoorden.

 

6          De leerlingen kunnen geneesmiddelen op de juiste wijze gebruiken en hoeden zich voor zelfmedicatie.

 

4 Veiligheid en E.H.B.O.

 

7          De leerlingen zien in dat hun gedrag invloed heeft op de eigen veiligheid en die van anderen.

 

8          De leerlingen kunnen enkele veilige en onveilige situaties in hun eigen leefomgeving identificeren en kunnen voorbeelden geven van preventieve maatregelen.

 

14        De leerlingen zien het belang in van een evenwichtige tijdsbesteding van (school-)werk, rust, ontspanning, beweging en de invloed ervan op de lichaamsconditie.

 

5.2.  V.O.E.T. 2: Leren leren

 

1 Het domein van de uitvoering

1          De leerlingen kunnen losse gegevens ordenen en inprenten door gepast gebruik te maken van mnemotechnische middeltjes.

 

2          De leerlingen kunnen zich in samenhangende informatie oriënteren door het aanwenden van vormkenmerken: titels, subtitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen.

 

3          De leerlingen kunnen samenhangende informatie inhoudelijk begrijpen en analyseren door de betekenis van woorden, begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context af te leiden.

 

4          De leerlingen kunnen bij het instuderen van een behandelde leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw opzoeken in leerboek, werkboek of notities.

 

5          De leerlingen kunnen bij het leren van samenhangende informatie verdiepend werken:

1.       vragen stellen bij de leerstof en deze vragen beantwoorden;

2.       in korte, goed gestructureerde teksten tekstmarkeringen aanbrengen;

3.       een schema vervolledigen aan de hand van geboden informatie;

4.       verbanden leggen tussen elementen van de leerstof.

 

6          De leerlingen kunnen bij het oplossen van een probleem:

·         het probleem herformuleren;

·         onder begeleiding een oplossingsweg bedenken en verwoorden;

·         de gevonden oplossingsweg toepassen en op correctheid inschatten.

 

7          De leerlingen kunnen informatiebronnen adequaat raadplegen:

·         inhoudstafel en register gebruiken;

·         elementen uit audiovisuele en geschreven media gebruiken;

·         een documentatiecentrum of een bibliotheek raadplegen.

 

2 Het domein van de regulering

 

8          De leerlingen kunnen hun werktijd plannen en het nodige materiaal selecteren en ordenen.

 

9          De leerlingen kunnen zichzelf sturen met behulp van een antwoordblad, een correctiesleutel, de aanwijzingen van de leraar of de lesdoelstellingen.

 

10        De leerlingen kunnen de eigen werkwijze vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout gegaan is en hoe fouten vermeden kunnen worden.

 

3 Het domein van de attitudes, leerhoudingen, opvattingen en overtuigingen

 

11        De leerlingen zijn bereid zelf naar oplossingen te zoeken en durven leer- en studieproblemen signaleren en uitleg of hulp vragen.

 

12        De leerlingen zijn bereid ordelijk, systematisch en regelmatig te werken.

 

13        De leerlingen beseffen dat leren reeds in de klas begint en niet alleen thuis gebeurt.

 

5.3.  V.O.E.T. 3: Milieueducatie

 

1 Lucht, water en bodem

 

3          De leerlingen gaan zorgzaam om met lucht, water en bodem in de eigen leefomgeving.

 

3 Samenleving en ruimtegebruik

 

7          De leerlingen kunnen enkele kenmerken van de relatie mens-milieu beschrijven in samenlevingsvormen in tijd en/of ruimte.

 

4 Afval

 

10        De leerlingen kunnen door een eenvoudig kwalitatief en kwantitatief onderzoek aantonen welke afvalstoffen in de eigen leefomgeving voortgebracht worden.

 

11        De leerlingen kunnen illustreren dat zij door het voorkomen van afval en door hergebruik kunnen bijdragen tot de beperking van de afvalproductie en passen dit toe.

 

5.4.  V.O.E.T. 4: Opvoeden tot burgerzin

 

1 De klas en de school

 

3          De leerlingen kunnen op een verdraagzame manier omgaan met verschillen in sexe, huidskleur en etniciteit.

4          De leerlingen kunnen voor conflicten in de omgang met leeftijdgenoten oplossingen bedenken en zijn bereid om ze uit te voeren.

5          De leerlingen zijn bereid zich in te zetten voor solidariteits- en andere acties in de klas of op school.

 

3 Media

 

9          De leerlingen kunnen de invloed van de media op hun eigen denken en handelen illustreren en kennen de mogelijkheden van het gebruik ervan ten voordele van de eigen vorming.

 

10        De leerlingen kunnen een kritische houding aannemen ten aanzien van allerlei vormen van berichtgeving.

 

4 Democratische vormen van bestuur

 

13        De leerlingen kunnen illustreren dat elk beleid rekening moet houden met ideeën, standpunten en belangen van diverse betrokkenen.

 

5.5.  V.O.E.T. 5: Sociale vaardigheden

 

1 De ontwikkeling van een voldoende ruim gamma van relatiewijzen

 

2          De leerlingen kunnen respect en waardering voor anderen opbrengen: de eigenheid van medeleerlingen accepteren en waarderen.

 

3          De leerlingen kunnen zich dienstvaardig tegenover anderen opstellen: het bijstaan van medeleerlingen bij schooltaken en schoolactiviteiten.

 

4          De leerlingen kunnen om hulp vragen en dankbaarheid tonen in probleemsituaties.

 

5          De leerlingen kunnen in groepsverband meewerken en een toegewezen opdracht uitvoeren.

 

6          De leerlingen kunnen bij een opgegeven groepstaak of bij een groepsdiscussie leiding geven.

 

7          De leerlingen kunnen op gepaste wijze kritiek uiten tegenover een ander tijdens een groepswerk.

 

8          De leerlingen kunnen opkomen voor de eigen rechten en voor de rechten van anderen uit de groep.

 

9          De leerlingen kunnen zich discreet opstellen in een gezelschap en ten aanzien van vertrouwelijke informatie.

 

10        De leerlingen kunnen ongelijk of onmacht toegeven in een discussie of in een spelsituatie.

 

2 De beheersing van het communicatieve handelen of het omgaan met elkaar

 

12        De leerlingen beheersen elementen van het communicatieve handelen:

§        actief luisteren en weergeven wat een andere inbrengt

§        toegankelijk zijn en feedback geven over eigen gevoel

§        verduidelijken waarom zij voor een bepaald gedrag gekozen hebben

§        assertief zijn en opkomen voor de rol die zij op zich nemen in een groepsopdracht

§        effectbesef hebben en over hun eigen gedrag reflecteren

§        anderen de kans geven om te reageren

 

3 De deelname aan vormen van samenwerking en sociale organisatie

 

3.1 De dialoog

 

13        De leerlingen leggen contact met anderen binnen de groep en staan open voor contact met anderen buiten de groep.

 

3.2 De groepsdiscussie

 

14        De leerlingen kunnen in een groepsdiscussie hun mening weergeven, handhaven en bijsturen.

 

3.3 De taakgroep

 

15· De leerlingen kunnen onder begeleiding een taakgroep organiseren en bevorderen de onderlinge verstandhouding.


 

5.6.  I.C.T.

 

De leerlingen

1                    hebben een positieve houding ten opzichte van ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.

2                    Gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.

3                    Kunnen zelfstandig oefenen in een door ICT ondersteunde leeromgeving.

4                    Kunnen zelfstandig leren in een  door ICT ondersteunde leeromgeving

5                    Kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.

6                    Kunnen met behulp van ICT digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.

7                    Kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.

8                    Kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.

9                    Kunnen afhankelijk van het te bereiken doel adequaat kiezen uit verschillende toepassingen.

10                 Zijn bereidhun handelen bij te sturen na reflectie over hun eigen en elkaars ICT-gebruik.

 

 

6.   Kostprijsberekening

 

Daar de leerlingen zelf sponsorgelden gaan verzamelen voor het festival van start gaat wordt de schaal van het festival aangepast aan de inkomsten. Er wordt steeds gestreefd naar een break even of kleine winst. Het festival is dus eigenlijk zelfbedruipend!